De Clubcodex

Hoewel Castrum sinds het academiejaar 2021-2022 gebruikmaakt van de Antwerpse codex als liederenboek, kiezen we er bewust voor om de blauwe bladzijden zoals opgesteld door Mon de Goeyse van de oude groene Leuvense KVHV-codex te blijven koesteren.

Castrum werd ooit opgericht met de leuze Vivamus ad Codicem, gebaseerd op deze clubcodex. Ook al volgden we niet elk artikel tot op de letter, en gaven we op sommige punten onze eigen interpretatie aan bepaalde regels — zo waren we in de jaren 90 er bijvoorbeeld vroeg bij om het artikel waarin stond dat dames niet aan de clubtafel werden toegelaten, af te schaffen — toch maken deze blauwe bladzijden integraal deel uit van de geschiedenis en tradities van Castrum.

De Antwerpse codex bevat ook een clubcodex, maar deze is vooral gebaseerd op hoe het Antwerpse studentenleven en cantussen er vandaag algemeen uitzien en dat wijkt op sommige vlakken af van de meer traditionele insteek die Castrum heeft. Door de “oude” blauwe bladzijden op deze pagina te bundelen, willen we deze waardevolle tradities levend houden, ook binnen een nieuwe en moderne context. Waar komen sommige vreemde Castrumgewoontes vandaan? Waarom doen we bepaalde dingen wel of juist niet? Waar nodig geven we ook verder duiding over bepaalde regels, historisch of in Castrumcontext.

Heel veel dank gaat uit naar Kosmos (Plutonica) op wiens werk we konden en mochten voortbouwen.

Voor een stijlvol studentenleven

De Clubcodex is de verzameling van regels en gebruiken die door de traditionele studentenverenigingen gevolgd worden. Hij vormt één van de drie delen van de studentencodex en staat beter bekend onder de naam blauwe bladzijden.

De eerste regels voor een stijlvol studentenleven werden opgesteld door het op 19 november 1929 opgerichte Seniorenkonvent, de vergadering van de Verbondspraeses en de club- en gildepraesides. Het SK stelde zich tot doel te ijveren voor een stijlvol gezelschapsleven en het studentikoze bestanddeel van de KVHV-werking op een ordelijke, kleurige en gelijkvormige wijze te organiseren. Traditie, stijl, tucht en levenslange kameraadschap zouden (naar Duits voorbeeld) de pijlers zijn van een vernieuwd clubleven.

De Besluiten van het Seniorenkonvent verschenen voor het eerst in Ons Leven in 1930 en werden als appendix opgenomen in het studentenliederboek. In 1931 werden deze regels door het AVHV van toepassing verklaard voor al haar afdelingen in Vlaanderen, dus ook in Brussel en Gent. In 1935 gaf het pas opgerichte Seniorenkonvent Ghendt een gelijkaardige tekst uit. Deze werd in de loop van de jaren ten gronde aangepast. Sinds 1956 werd de tekst opgenomen in de studentencodex van het KVHV.

Het Seniorenkonvent en zijn clubs hebben sinds de jaren ’60 ook niet altijd de regels van de codex gevolgd. Dikwijls komen clubavonden en cantussen neer op ordinair zuipen en vulgaire bedoeningen. Dat was dus niet de bedoeling van de oorspronkelijke schrijver van de blauwe bladzijden, dr. Edmond de Goeyse. Sinds de tweede helft van de jaren ’90 is er terug een merkbare beweging naar de oorspronkelijke inhoud van de tekst. Dit wordt o.m. bevorderd door de organisatie van modelcantussen door verschillende verenigingen zoals bijvoorbeeld Castrum, De Drakentemmers, Caeruleus en Plutonica.

I. WETTEN EN VOORSCHRIFTEN

DE CLUB EN HAAR LEDEN

1. De club is een groepering van studenten uit hetzelfde gewest. Zij stelt zich ten doel de opvoedende kracht van het studentenverenigingsleven te benutten tot het vormen van een studentikoos leven in een geest van tucht, stijl en kameraadschap.

Voor Castrum zit dit vervat in huisreglement Art 2.

Ten eerste zie je hier dat clubs oorspronkelijk regionaal samengesteld waren (in Leuven en in mindere mate in Gent geldt dit nog steeds). In de jaren ’20 en ’30 gingen de meeste studenten nog niet elke week naar huis. Daarom voegden mensen van dezelfde streek zich samen om minder heimwee te hebben. In de edities vanaf 1994 is er een extra artikel dat stelt dat niet-regionale clubs ook erkend kunnen worden als de club een bestuur heeft en de leden tevens lid zijn van hun regionale club.
In die periode bestonden er slechts drie universiteiten (waarbij er in Brussel nauwelijks Nederlandstaligen zaten) en een zeer beperkt aantal hogescholen, die toen nog niet als dusdanig erkend waren. Vandaar komt dus de tekst ‘geïmmatriculeerd aan de KU Leuven’. Voor Gent bestond er namelijk een eigen codex (1935).
Het katholieke en het Vlaamse gedachtengoed komen natuurlijk uit de KVHV-structuren. De vijf Vlaamse gouwgilden hadden in 1902 het KVHV opgericht en het waren hun clubs die in 1929 het Seniorenkonvent vormden. In Leuven staan de SK- en MSK-clubs nog steeds onder het KVHV, maar dit is enkel een de jure-band. In de praktijk hebben de clubs niets met politiek of religie van doen. Enkele clubs dragen wel nog het historische predicaat KVHC (Katholieke Vlaamse Hoogstudentenclub).
Met club wordt dus wel degelijk een (regionale) vriendengroep bedoeld, en niet een faculteitskring, die aan hogescholen en in sommige steden (Antwerpen, Mechelen) ook club genoemd worden.

2. De club erkent de leiding van het Seniorenkonvent of KVHV waarvan zij deel uit maakt. Aan de praeses van het Seniorenkonvent (senior seniorum) wordt voor elke clubavond een uitnodiging gezonden.

Voor Castrum niet van toepassing.

3. Het bestuur van de club bestaat uit de praeses of senior, de schachtenmeester die tevens vice-praeses is, de ab-actis (secretaris) en de quaestor (penningmeester).

De bestuursleden worden bij Castrum praesidiumleden genoemd en ook de cantor maakt hier deel van uit. Dit wordt verder beschreven in het huisreglement Art 4 Par 1.

Oorspronkelijk hadden de clubs dus een klein bestuur, bestaande uit slechts vier personen. Toen de clubs na de tweede wereldoorlog groter werden, werd het aantal bestuursfuncties meestal uitgebreid. Toen de clubs terug kleiner werden (vanaf 1968) bleven een aantal extra functies meestal toch gehandhaafd. Schachtenmeester (Latijnse naam maior schachtorum) werd vaak losgekoppeld van het vice-praesesschap en scriptor (schrijver) van ab-actis. Cantor of procantor, werd vaak een bestuursfunctie. Later kwamen er nog andere functies bij, zoals zedenmeester (dominus morum, praefectus morum), sportführer en garde (ordehandhaving). De edities vanaf 1994 splitsen inderdaad ook de functie van vice-praeses en schachtenmeester en noemen de laatste ook wel ‘schachtentemmer’.

4. Het bestuur van de club kan bij uitzondering een ouderejaars uit een ander gewest als lid aanvaarden, op voorwaarde dat hij reeds lid is van de club van zijn eigen gewest en het bestuur van deze club ermee instemt. Dit sympathiserend lid moet in zijn tweede club een proeftijd doormaken als schacht, heeft geen stemrecht en is niet verkiesbaar tot enige bestuursfunctie.

Voor Castrum vervat in huisreglement Art 2 Par 1.

5. Het bestuur van de club dat een lid uitsluit, geeft hiervan kennis aan het bestuur van het Seniorenkonvent met opgave van redenen. Beroep van het uitgesloten lid bij het bestuur van het Seniorenkonvent is mogelijk. Het bestuur van de club mag geen student als lid aanvaarden die uit zijn eigen gewestelijke club werd gesloten.

Voor Castrum vervat in huisreglement Art 13.

6. De leden van de club heten commilitones.

Dit geldt dus ook voor schachten en oud-studenten: zie volgend artikel!

7. De commilitones zijn ingedeeld in oud-studenten, ouderejaars en schachten. De schachten of eerstejaars blijven tot hun ontgroening in een toestand van onderdanigheid, die op de clubavonden door de houding der deelnemers en door uiterlijke tekenen tot uiting komt.

Er zijn dus drie categorieën commilitones. De oud-studenten en ouderejaars worden op dezelfde manier behandeld. Schachten zitten in een proefperiode en moeten de tucht en gebruiken van de club leren kennen. Daarom zitten zij in een ’toestand van onderdanigheid’. Uiterlijke kentekenen hiervan zijn ondermeer dat zij de senior niet rechtstreeks mogen aanspreken en hun clublint over de linkerschouder dragen. Dit betekent echter niet dat het de bedoeling is om schachten te vernederen. Ze worden geacht de gebruiken van de club te leren kennen en zich te integreren in het clubleven.

8. Elke schacht krijgt bij zijn opneming in de club een ouderejaars als peter. Deze wordt bij voorkeur in dezelfde discipline of faculteit als zijn lijfschacht gekozen. Hij draagt er zorg voor dat de schacht geregeld de vergaderingen bijwoont, leidt hem in samenwerking met de schachtenmeester op tot een deugdelijk commilito, en helpt hem met zijn studies. De schacht is zijn peter dienstbetoon verschuldigd.

Voor Castrum vervat in huisreglement Art 7.

9. Studenten die lid worden van de club wanneer zij reeds meer dan één jaar geïmmatriculeerd zijn, worden gedurende één semester als schacht behandeld en dan ontgroend.

Voor Castrum niet van toepassing.

In het oorspronkelijke artikel ging men ervan uit dat mensen die al een tijdje aan de universiteit/hogeschool studeren, toch al wat van het studentenleven opgestoken hebben.

10(oud). Oud-studenten zijn die leden, die door het beëindigen van hun studiën, ophouden ouderejaars te zijn.

Men bedoelt personen die weg zijn uit hun studentenstad en daardoor niet meer regelmatig naar de clubavonden komen. Dit artikel is geschrapt in de edities vanaf 1994.

10. De clubs vergaderen tenminste éénmaal per maand.

Voor Castrum vervat in huisreglement Art 2 Par 3.

11. Commilitones honoris causa zijn studenten of oud-studenten die geen commilitones of oud-studenten van de club zijnde, wegens grote verdiensten jegens de club of de Vlaamse studentenbeweging, op voorstel van het bestuur bij besluit van het algemeen convent, daartoe worden benoemd.

Af en toe komt het nog voor dat iemand wegens zijn verdiensten t.o.v. een club tot commilito honoris causa van die club wordt benoemd, al gebeurt dit niet vaak.

12. Ereleden zijn zij die door geldelijke bijdragen de club steunen en door het bestuur als dusdanig zijn toegelaten.

Dit is dus niet hetzelfde als een commilito honoris causa! Ereleden zijn mensen die een steunbijdrage betalen.

13. De bijzondere werking van elke club wordt verder geregeld door eigen statuten.

Hierin kunnen bv. het verkiezingsreglement en de kleuren, het schild en het clublied van de club beschreven worden. Voor Castrum is dit het huisreglement.


DE CLUBTAFEL EN DE CORONA

14. De aanzittenden aan de clubtafel maken de corona uit.

Hier horen dus ook het praesidium en de schachten bij!

15. De corona is samengesteld uit ouderejaars (en gelijkgestelden), schachten en eventueel gasten.

Met de gelijkgestelden worden hier voornamelijk de oud-studenten en de commilitones honoris causa bedoeld, evenals commilitones van andere verenigingen.

16. De oud-studenten en de commilitones honoris causa worden aan de clubtafel met de ouderejaars gelijkgesteld. Zij zijn onderworpen aan de praeses en aan al de voorschriften van de Clubcodex die toepasselijk zijn op ouderejaars.

17. Het bestuur heeft het recht ereleden en buitenstaanders op een clubavond te introduceren. Deze aanzittenden worden gasten genoemd en zijn niet onderworpen aan de voorschriften van de Clubcodex. Zij zullen er evenwel over waken de tucht niet te verstoren.

18. Genodigde commilitones van andere clubs worden met de eigen commilitones gelijkgesteld.

Dit betekent bv. ook dat schachten van andere club onderworpen zijn aan het gezag van de schachtenmeester van de organiserende club.

19. Op een eigenlijke clubavond, waar de voorschriften van de Clubcodex volledig worden toegepast, kunnen geen dames aan de clubtafel plaatsnemen. Nochtans kan het bestuur, bij bijzondere gelegenheden, dames als toeschouwers in de clubzaal toelaten.

Voor Castrum niet van toepassing.

Dit artikel is ook geschrapt in de codices vanaf 1994. Nochtans passen een aantal ongemengde clubs het nog steeds toe, waarbij meisjesclubs dan geen jongens toelaten. In 1996 schreeuwde het SK van Leuven nog moord en brand toen dit beruchte artikel verdween uit de Leuvense codex.

Het is belangrijk even te situeren waar dit artikel vandaan komt. In de tijd dat de Clubcodex werd opgesteld, konden vrouwelijke studenten nog niet lid worden van clubs noch deelnemen aan studentikoze activiteiten, omdat ze van de Universiteit eenvoudigweg verplicht werden ’s avonds op hun peda te blijven. Het codexartikel diende dan ook om te verhinderen dat de studenten het (niet-studerend burger)lief dat ze in Leuven opgescharreld hadden, mee naar de clubavond brachten. Het is nooit de bedoeling geweest van dr. Mon de Goeyse, de schrijver van de Clubcodex en oprichter van het SK Leuven, om meisjesstudenten buiten het studentenleven te houden. Getuige hiervan is het feit dat zijn eigen club, Bezem Lovania Brussel, in 1941 als eerste studentenclub vrouwen toeliet. Daarentegen is het natuurlijk ook niet de bedoeling de hele avond met uw lief bezig te zijn op de clubavond.

20. De clubtafel wordt opgesteld in de vorm van een lange rechthoek, een hoefijzer of een hark met drie of meer tanden – naar gelang het aantal aanzittenden -, met steeds een tafel aan het boveneinde voor de praeses, recht tegenover de tafel van de schachtenmeester (het contra-praesidium), wiens plaats aan het benedeneinde is.

21. De ouderejaars (en gelijkgestelden) zitten rechts en links aan de lange zijden, van de praeses naar het benedeneinde van de tafel toe. De schachten zitten eveneens aan weerszijden, van de schachtenmeester naar het midden van de tafel toe; zij maken de schachtenstal uit.

22. De plaats van de erepraeses (gewoonlijk een ex-praeses en altijd een oud-student), is aan de rechterzijde van de praeses. De ab-actis zit rechts van de praeses (of de erepraeses), de quaestor links van de praeses. De bovenste plaatsen worden verder ingenomen door de gasten en de oud-studenten, met voorrang voor de ex-praesides. Voor de oud-studenten en ouderejaars geldt als grond tot voorrang het aantal jaren lidmaatschap van de club

Bij Castrum zit de cantor links van de praeses en zit de quaestor in de corona met zicht op de ingang (hij wordt aangemoedigd om de schachtenmeester bij te staan door bv. de bierbedeling te bewaken).

Verder wordt dit artikel nauwelijks nog toegepast. Zo wordt de corona van ouderejaars en oud-studenten meestal opgevuld doordat iedereen op een plaats van zijn keuze gaat zitten.


DE LEIDING VAN DE CLUBAVOND
De praeses

Hij die stijl vertoont in zijn stoffelijke en zedelijke verzorging, keurig in kleding, woord en gebaar, die tucht verkrijgt, niet met geweld, doch met de vormen van zijn innerlijk en uiterlijk prestige.

Een inleiding die door veel praesides eens grondig zou gelezen moeten worden. Studentenleven moet stijlvol zijn en de praeses moet als eerste het goede voorbeeld geven!

23. De gehele corona is aan de macht van de praeses of senior onderworpen. De praeses staat voor het tucht- en stijlvol verloop van de clubavond in. Hij zit de vergadering voor, regelt het verloop ervan, bepaalt de samenzangen en rondgezangen, mag solozingen en speechen aan elk van de corona opleggen, beveelt silentium, verleent colloquium, verbum en tempus, legt straffen op, zit de plechtigheden voor en ontgroent de schachten.

Dit betekent natuurlijk ook weer niet dat de praeses misbruik van zijn macht zou mogen maken! Van de andere kant moet de corona de praeses natuurlijk ook een kans geven om zijn taak te volbrengen.

24. De praeses staat boven de wet, d.w.z. dat bij gebeurlijke fouten door hem tegen de voorschriften van de Clubcodex begaan, geen straf op hem kan worden toegepast.

Dit artikel gaat over gebeurlijke fouten! Het ‘boven de wet staan’ betekent dus niet dat de praeses zomaar de Clubcodex naast zich kan neerleggen. Hij moet zich er ook aan houden. Een praeses moet geen pro poena drinken, omdat een zatte senior de corona moeilijk in de hand kan houden.

25. De praeses wordt door de schachtenmeester aangesproken als Hoog Praesidium, door de overige leden van de corona als Senior. Aan de clubtafel richten de schachten nooit het woord tot de praeses. Zij vernoemen hem eventueel in hun speeches als Het Hoog Praesidium.

Een artikel dat de meeste schachtenmeesters vergeten toe te passen!

26. Verlaat de praeses zijn plaats, dan stelt hij een plaatsvervanger aan door hem zijn commandodegen te overhandigen. Voor de vervanging van de praeses komen in aanmerking volgens rangorde: de erepraeses, de ex-praesides, de bestuursleden.

Voor Castrum vervat in huisreglement Art 12.

Dit kan natuurlijk enkel tijdens het colloquium (zie verder), omdat tijdens het tempus commune de regels van de Clubcodex opgeschort zijn en tijdens het silentium niemand zijn plaats mag verlaten. Doordat de meeste clubs het colloquium niet meer gebruiken, gebeurt dit dus weinig.

De schachtenmeester

27. De macht van de schachtenmeester aan de clubtafel is aan die van de praeses onderworpen en strekt zich enkel uit over de schachten. De schachtenmeester verleent of weigert verbum en tempus aan de schachten na voorafgaande vraag bij de praeses. Hij doopt de schachten.

De schachtenmeester heeft dus geen onbeperkte macht over de schachten. Hij moet tempus of verbum voor een schacht aan de senior vragen, indien de schacht daarom verzoekt. De Latijnse term voor schachtenmeester is ‘maior schachtorum’.

28. De schachtenmeester wordt door de schachten aangesproken als Meester.

Het is vreemd dat hier niet de term ‘Magister’ of ‘Maior’ gebruikt wordt, omdat alle andere termen ook in het Latijn zijn.

29. Verlaat de schachtenmeester zijn plaats, dan stelt hij een plaatsvervanger aan door hem zijn commandodegen te overhandigen.Voor de vervanging van de schachtenmeester komen in aanmerking, volgens rangorde: de oud-schachtenmeesters en de bestuursleden.

Voor Castrum vervat in huisreglement Art 12.

Ook de schachtenmeester kan de tafel dus enkel verlaten tijdens het colloquium!

30. De schachtenmeester mag de clubtafel niet verlaten tijdens de afwezigheid van de praeses.

Commando

31. Aan de clubtafel hebben de praeses en de schachtenmeester een degen (met clubkleuren op het handvat), een stok (zonder kruk, model knuppel) of een hamer (kuipershamer). Elk commando van de praeses en van de schachtenmeester wordt rechtstaande gegeven en wordt voorafgegaan door een slag met de commandodegen op de tafel.

De meeste clubs gebruiken tegenwoordig een hamer.

32. Aan elk commando moet ogenblikkelijk gevolg gegeven worden.

Als men dus wil klagen, vraagt men achteraf het woord.

33. Onbevoegd commandoroepen wordt gestraft.


SILENTIUM EN COLLOQUIUM

34. Silentium moet in acht genomen worden:
– telkens de praeses het gebiedt,
– tijdens de plechtigheden,
– tijdens de lezingen, speechen en liederen.

35. De praeses alleen mag het silentium onderbreken.

36. Silentium duurt tot het commando van de praeses: Silentium ex! Colloquium!

Of tot aan het tempus commune natuurlijk, waar gezegd wordt: ‘Silentium ex! Tempus commune!’

37. Tijdens het colloquium wordt gepraat, geschonken en toegedronken, echter niet gezongen, en mogen de leden van de corona die tempus bekomen hebben, de clubtafel verlaten.

Enkel tijdens het colloquium kan er dus bier geschonken worden. Ook het toedrinken gebeurt enkel dan. Tijdens het colloquium kan men tempus vragen (zie verder). Het is niet bedoeling dat iedereen begint rond te lopen (zoals bij een tempus commune); iedereen die zijn plaats wil verlaten moet tempus vragen.


VERBUM

38. Verlangt een ouderejaars het woord, dan staat hij recht en richt zich tot de praeses met de woorden: Senior, peto verbum. De praeses willigt in met Habes! of weigert met Non habes!.

39. Verlangt een schacht het woord, dan staat hij recht, neemt zijn pet af en richt zich tot de schachtenmeester met de woorden: Meester, peto verbum. De schachtenmeester richt zich tot de praeses met de woorden: Hoog praesidium, peto verbum pro schacht N.N., waarop de praeses antwoordt: Habet! of Non habet! De schachtenmeester zegt dan tot de schacht: Habes! of Non habes!

De schachtenmeester is verplicht het woord aan de senior te vragen en kan dat zelf niet weigeren. Hij moet ook de toestemming/weigering van de praeses doorgeven.

40. De praeses heeft ten allen tijde het recht elk lid der corona het woord af te nemen.

41. Wanneer de praeses zich tot de corona richt, zegt hij: Commilitones! Elk ander lid van de corona begint zijn toespraak met de woorden Senior, commilitones!, de schachten evenwel met: Meester, commilitones!

42. Heeft een lid van de corona zijn toespraak beëindigd, dan richt het zich tot de praeses (schachten tot de schachtenmeester) en zegt: Dixi.

En dus niet Dixit! of zoals men de laatste tijd steeds vaker hoort: Senior, verbum habes!


TEMPUS

43. Wenst een ouderejaars gedurende enkele ogenblikken zijn plaats aan de clubtafel te verlaten, dan richt hij zich tot de praeses met de woorden: Senior, peto tempus. De praeses willigt in met: Habes! of weigert met: Non habes!.

Een T-teken gebaren naar de praeses is dus niet genoeg. Men kan dit natuurlijk enkel tijdens het colloquium en niet tijdens het silentium. Ook dient men tempus te vragen elke keer dat men de clubtafel verlaat (tenzij de schachten die bier moeten rondbrengen) en niet enkel als men naar het toilet gaat. De senior moet eigenlijk een goede reden hebben om tempus te weigeren, bv. dat de orde zou verstoord worden of dat er teveel mensen tegelijkertijd zouden wegzijn.

44. Bij het verlaten van de clubtafel legt de ouderejaars zijn clubpetje boven op het glas. Wanneer hij op zijn plaats terugkeert, zegt hij tot de praeses: Tempus ex en zet zijn clubpetje terug op.

De tempus ex-melding wordt door de meeste studenten vergeten. Het is dus totaal uit den boze iemands clubpetje te stelen terwijl deze tempus heeft. Onbeheerde voorwerpen op een cantus moeten nu eenmaal met rust gelaten worden.

45. Voor de schachten gelden dezelfde voorschriften met betrekking tot de schachtenmeester. De schachtenmeester vraagt tempus voor de schachten aan de praeses op dezelfde wijze als verbum (§ 39).

Zelfde opmerking als bij § 39: de schachtenmeester mag geen tempus meer weigeren als de praeses die verleent aan de schacht.

46. Tempus mag enkel gedurende het colloquium aangevraagd en verleend worden.

Natuurlijk is het vervelend dat het gebruik van het colloquium op de meeste plaatsen niet meer toegepast wordt. Dit heeft nl. tot gevolg dat men tijdens het silentium tempus aanvraagt en verkrijgt.

47. Gewoon tempus duurt ten hoogste drie minuten. In bijzondere gevallen, waarover de praeses oordeelt, kan het tempus verlengd worden.

48. De praeses heeft het recht het aantal commilitones die gelijktijdig tempus krijgen, naar goeddunken te beperken.

49. Op geregelde tijdstippen van de clubavond verleent de praeses tempus commune, d.i. een algemene pauze, die geldt voor de ganse corona en ongeveer tien minuten duurt. Tijdens dit tempus commune mogen de aanzittenden de clubtafel verlaten en worden de voorschriften van de Clubcodex geschorst; er wordt ook niet geschonken. Op de door de praeses vastgestelde tijd moet elk lid van de corona zich opnieuw in de clubzaal bevinden.

Tegenwoordig wordt er meestal drie (of meer) maal tempus commune verleend. Dit gebeurt voornamelijk omdat het colloquium niet meer in gebruik is en de clubavonden sowieso al langer duren dan vroeger.


VAN HET ZINGEN

Wanneer Vlaamse studenten op een cantus of een clubavond, in een optocht of voor de radio, hun eigen Vlaamse studentenliederen niet zingen, leggen zij een getuigenis af van onmacht en gebrek aan persoonlijkheid. Straatliedjes van de soort van “En edde gaai meubele” zingen, is zich verlagen. Duitse soldatenliederen in het openbaar zingen, is de beweging in opspraak brengen.

50. Elke commilito heeft aan de clubtafel een studentenliederboek.

51. Het liederboek wordt links van het glas op de tafel gelegd en na elk lied gesloten.

Aan het eerste deel van deze regel wordt weinig aandacht besteed. Men kan wel een lid van de corona straffen omdat hij zijn liederboek niet gesloten heeft na een lied, maar pinten over iemands codex uitgieten is ook weer uit den boze.

52. Indien geen cantor of machinist verkozen is, duidt het bestuur van de club ieder jaar onder de commilitones een eerste en een tweede cantor (voorzanger) en een eerste en een tweede machinist aan.

Meestal is er slechts één cantor en deze wordt op de algemene bestuursverkiezing verkozen.

53. De cantor heft de liederen aan op de clubavonden. Daarbuiten heeft hij tot taak de liederen uit het studentenliederboek te leren zingen op de schachtenkonventen en de cantusavonden.

Bij Castrum wordt de term clubavond ook gebruikt voor het half uur voor de Cantus.

54. Wat de liederen betreft, onderscheidt men samenzangen, rondgezangen en alleenzangen.

55. De samenzangen en rondgezangen worden door de praeses bepaald.

56. Een samenzang geschiedt als volgt. De praeses zegt: Tot inzet – verder verloop – slot – van deze heerlijke clubavond klinke [titel van het lied]. De pianist gaat voor het klavier zitten. De schachtenmeester herhaalt de titel van het lied met het commando: Schachten, bladzijde! Elke schacht zoekt de bladzijde in zijn liederboek op en staat recht zodra hij ze gevonden heeft; wanneer al de schachten rechtstaan, herhaalt de schachtenmeester nogmaals: Schachten, bladzijde! en op slag van zijn commandodegen roepen de schachten samen elk cijfer afzonderlijk af. De pianist speelt de eerste drie maten. De praeses beveelt: Ad primam! De cantor zet het liedje in, gevolgd door de corona. Elke strofe wordt voorafgegaan door een commando van de praeses: Ad secundam!, Ad tertiam!, enz. tot Ad ultimam!.

De schachtenmeester heeft dus ook een degen, hamer of knuppel nodig om zijn commando’s te geven. De bladzijde worden dus normaal gezien afgeroepen als “bladzijde 123 1-2-3 3-2-1 bladzijde 123”. Sommige clubs hebben de cijfers dan nog eens vervangen door symbolen: 0 = gat, 1 = stok, 2 = zwaan, 3 = half gat vanboven, half gat vanonder, 4 = vlag, 5 = stok vanboven, half gat vanonder, 6 = stok van boven, gat vanonder, 7 = stok vanboven, stok vanonder, 8 = gat vanboven, gat vanonder en 9 = gat vanboven en stok vanonder.

Normaal gezien wordt er dus niet doorgezongen tussen de strofen, zoals in veel studentensteden gedaan tot als de praeses een commando geeft. De praeses kan op voorhand wel zeggen dat het hele lied ineens gezongen wordt. Het Latijnse commando hiervoor is “ad unum”.

57. De praeses kan het zingen van een bepaalde strofe opleggen aan een gedeelte van de corona (schachten, ouderejaars, bepaalde faculteit, bepaald studiejaar enz…).

58. Bij het einde van de samenzang zegt de praeses: Cantus ex! Prosit corona! en drinkt hij de corona toe. Deze staat recht, antwoordt: Prosit senior! en volgt na.

Voor Castrum niet van toepassing.

59. Elk lid van de corona is gehouden om naar vermogen mee te zingen.

60. De praeses kan aan één lid of een groep leden van de corona een zang opleggen.

61. Elk lid van de corona mag zich voor een alleenzang bij de praeses aanmelden (schachten bij de schachtenmeester).

62. Na een alleenzang zegt de zanger tot de praeses: Cantus ex!. De praeses voegt eraan toe: Prosit cantor! en drinkt de corona voor, die navolgt.

63. De nationale liederen, het clublied en het Io vivat! moeten van buiten gekend zijn en worden zonder behulp van het liederboek gezongen. Voormelde liederen moeten met eerbied en waardigheid gezongen worden, dwz dat de leden van de corona in de houding moeten staan en zich moeten onthouden van praten, roken en drinken.

De nationale liederen zijn de Vlaamse Leeuw (p. 287), het Wilhelmus (eerste en zesde strofe, p. 288 – in de codex strofen 1 en 4) en Die Stem van Suid-Afrika (p. 290 – eerste strofe). Van het Io Vivat worden strofen 1 en 3 zonder onderbreking gezongen. Het is het studentenlied van de hele Lage Landen, ook in Franstalig België (waar alle strofen wel gezongen worden). Clubpetjes worden niet afgenomen voor deze liederen, Verbondspetten wel.


VAN HET DRINKEN

64. Aan de clubtafel mag alleen bier gedronken worden.

Voor Castrum is water en/of alcoholvrij bier ook aanvaardbaar. Dat is wel tegen de officiële regels, maar je kunt toch niemand een hele avond droogzetten. Op speciale cantussen kan er wel iets anders, zoals bv. krambambouli, gedronken worden, maar enkel als de hele corona dat doet.

65. Een lid van de corona dat bij het begin of in de loop van de clubavond redenen heeft om zich van het bierdrinken te onthouden, deelt zulks aan de praeses mede. Oordeelt de praeses de reden voor gegrond, dan verklaart hij bedoeld lid bierimpotent.

66. Wie bierimpotent is, heeft zijn glas omgekeerd op de tafel staan. Hij is enkel van het drinken ontslagen en niet van deelneming aan samenzangen, plechtigheden, enz., noch van de toepassing der voorschriften van de Clubcodex.

67. De praeses heeft de dwingende plicht het overdadig drinken tegen te gaan met alle tot zijn beschikking staande middelen. Zo kan hij de hoeveelheid bier volgens duur en aantal beperken of bepalen dat slechts op zijn commando en een beperkt aantal malen zal geschonken worden. Op elk lid van de corona afzonderlijk kan hij de voorziene straffen toepassen (bierimpotent verklaren, verwijderen van de clubtafel, § 84 en 85). Niemand, ook de praeses niet, heeft het recht een lid van de corona te dwingen boven zijn krachten te drinken.

Bij Castrum een uitstekende taak voor de quaestor.

68. De schachtenmeester regelt de bediening van het bier aan de clubtafel. De glazen worden gevuld door de schachten.

69. Inschenken geschiedt enkel tijdens het colloquium en in ledige glazen. Bijschenken is niet toegestaan.

70. Tijdens het colloquium – en alleen dan – drinken de leden van de corona elkander toe en uiten aldus hun vriendschap en solidariteit. Een lid van de corona richt zich daartoe tot een ander aanzittende met de woorden: Prosit N.N.! en steekt zijn glas in diens richting vooruit. Het toegedronken lid van de corona steekt eveneens zijn glas vooruit en antwoord Prosit N.N.! Beiden drinken dan één tot drie teugen en steken bij het afzetten het glas nogmaals vooruit.

Toedrinken gebeurt uit vriendschap en niet om iemand dronken te voeren.

71. Elke dronk moet onmiddellijk en met dezelfde hoeveelheid beantwoord worden.

Maar dus maximaal drie slokken en rekening houdend met § 65 en 67.

72. Men mag niet meer dan één lid van de corona tegelijk toedrinken.

73. Voor de praeses, de erepraeses, de ex-praesides, de praesides van andere studentenverenigingen en de gasten gelden volgende regels:

  1. Zij mogen door niemand toegedronken worden, tenzij door elkander onderling.
  2. Zij staan niet recht om bescheid te doen.
  3. Ouderejaars die door hen toegedronken worden, staan recht.
  4. Zij drinken nooit een schacht toe.

Gasten zijn personen die geen lid zijn van een studentenvereniging, want commilitones van andere verenigingen zijn met die van eigen vereniging gelijkgesteld.

74. Een schacht mag enkel een schacht toedrinken. De schacht die door een ouderejaars wordt toegedronken neemt zijn pet af en staat recht om bescheid te doen.

75. Op commando van de praeses kan de gehele corona of een gedeelte ervan, een lid of een groep leden van de corona toedrinken. (De corona drinkt N.N. toe!)

76. Er wordt alleen of voor zichzelf gedronken (dus niet toegedronken) tijdens de lezingen, speeches, mededelingen, alleenzangen, enz. (omdat het toedrinken in zulk geval storend inwerkt op de spreker of de zanger en de aandacht afleidt).

77. Er mag niet gedronken worden tijdens de plechtigheden en samenzangen, tenzij op commando van de praeses of wanneer zulks uitdrukkelijk door de liedertekst wordt voorgeschreven.


STRAFFEN

78. Door het streng aanwenden van al de middelen die tot zijn beschikking staan, moet de praeses elke inbreuk op de tucht en elke stoornis van de gezelligheid onderdrukken. Een door de praeses opgelegde straf moet aan de clubtafel zonder enige betwisting door alle leden van de corona aanvaard worden. Daarna kan de gestrafte het verbum vragen om zich te verdedigen.

Dit betekent wel dat de praeses zich moet houden aan het maximum van drie teugen, dus één ad fundum. Anderzijds betekent het ook dat je eerst je straf drinkt en daarna eventueel het woord vraagt om te protesteren. Dit wordt ook expliciet vermeld in de edities vanaf 1996.

79. De straffen die de praeses, zonder overleg met de andere bestuursleden en zonder beroep, aan de clubtafel kan opleggen zijn drieërlei:

  1. het pro poena-drinken
  2. het bierimpotent verklaren
  3. het verwijderen van de clubtafel

80. Het pro poena-drinken (in de kan sturen) is een openbare vernedering die door de praeses aan de clubtafel wordt opgelegd wegens kleine tekortkomingen. Als zodanig gelden: het gebruiken van verkeerde formules, onbevoegd commandoroepen, de praeses of de corona toespreken zonder recht te staan, als schacht de praeses toespreken, zonder tempus te hebben verkregen zijn plaats verlaten, spreken buiten het colloquium en zonder verbum te hebben gekregen, het clubpetje afnemen, het clublint verkeerd aanhebben, het liederboek na de zang geopend laten enz.

Dus je gooit nooit pinten over iemands liederboek dat blijft openliggen na een liedje!

81. Wanneer de praeses aan een lid van de corona het pro poena-drinken wil opleggen, richt hij zich tot dit lid met de woorden: N.N. in de kan!. Het gestrafte lid staat recht, steekt zijn glas vooruit in de richting van de praeses en drinkt tot het commando Satis! van de praeses; het steekt opnieuw zijn glas vooruit, gaat zitten en herstelt eventueel het verzuim waarvoor het gestraft werd.

Twee opmerkingen hierbij. Ten eerste betekent ‘in de kan’ niet dat je effectief in het midden van de corona moet gaan staan, maar enkel dat je moet rechtstaan en drinken totdat er ‘satis’ gezegd wordt. Ten tweede worden er dus helemaal geen plichtplegingen verwacht en kan je daar dus ook niet voor gestraft worden.

82. De statuten kunnen voorzien dat de praeses gemachtigd is aan elk pro proena-drinken een geldboete te verbinden, op voorwaarden dat zulks geldt voor al de leden der corona die aan de voorschriften van de Clubcodex onderworpen zijn en voor de ganse duur van de avond.

Voor Castrum niet van toepassing.

83. Pro poena-drinken bestaat uit één tot drie teugen.

Dus maximaal één pint. Officieel zijn meerdere ad fundums en leuke dingen zoals daltons dus niet toegelaten.

84. De praeses kan op elk ogenblik van de clubavond een lid van de corona bierimpotent verklaren. Deze straf wordt toegepast op elk lid dat door zijn handelswijze bewijst bij langer drinken gevaar te lopen zijn geest te benevelen.

Eigenlijk een heel goede straf. Zatte mensen in de kan sturen, zorgt er meestal voor dat zij zich nog vervelender gaan gedragen, vermits ze er niet nuchterder op worden. Is heel handig als dreigement.

85. De praeses kan elk lid van de corona dat op ergerlijke wijze de tucht of de gezelligheid verstoort of opgelegde straffen niet uitvoert, tijdelijk of voor de duur van de clubavond van de clubtafel verwijderen.

Dit wordt ook ‘ex sturen’ genoemd. Dit is in het algemeen de zwaarst mogelijke straf.

86. Aan de schachten worden straffen opgelegd door de schachtenmeester, op verzoek of op bevel van de praeses. De schachtenmeester mag evenwel een schacht in de kan sturen zonder overleg met de praeses.

In principe moet de schachtenmeester de schachten straffen op bevel van de praeses, anders kan hij zelf gestraft worden. De schachtenmeester mag ook geen schachten bierimpotent verklaren of ex sturen: enkel de praeses kan dit doen. De schachtenmeester kan hierom altijd verzoeken bij het Hoog Praesidium.

87. Ter beteugeling van sommige overtredingen voorzien de statuten straffen welke niet tot de in §79 vermeld behoren. Het zijn hoofdzakelijk geldboeten, vermaningen en uitsluitingen.

Voor Castrum niet van toepassing.

88. Geldboeten worden opgelegd wegens het vergeten van clubpetje (eventueel Verbondspet), clublint en liederboek, het te laat komen of de afwezigheid zonder voorafgaande waarschuwing en gegronde reden, het niet houden van een opgelegde lezing (verslag) of speech, de beschadiging van clubgerief (met bovendien vergoeding van de aangerichte schade), enz.

Voor Castrum niet van toepassing.

89. De vermaningen worden door de praeses (eventueel de schachtenmeester) gericht tot het schuldig lid, hetzij onder vier ogen, hetzij op een bestuursvergadering, hetzij op een konvent, naargelang de afstraffing persoonlijk of openbaar behoort te zijn. Een lid dat een bepaald aantal vermaningen heeft opgelopen, kan niet voor een bestuursambt in aanmerking komen; is het bestuurslid, dan moet het aftreden.

90. Tot de tijdelijke uitsluiting voor één of meer vergaderingen of tot de definitieve uitsluiting uit de club, moet door het bestuur bij meerderheid van stemmen besloten worden. Bij staking van stemmen mag de praeses een tweede stem uitbrengen.

Dit artikel wordt vaak door de eigen statuten van de club geregeld, zo ook bij Castrum.


DE KLEUREN

Kleuren dragen betekent kleur bekennen, uitkomen voor een gedachte. Pet en lint zijn geen modesieraden voor de studenten; het zijn de zichtbare tekenen van hun overtuiging en hun solidariteit; het zijn symbolen die hun drager tot waardigheid verplichten en met zorg en eerbied behandeld moeten worden. De pet verslonzen of enkel als regenpet dragen is gebrek aan eerbied voor het symbool.

Voor Castrum vervat in huisreglement Art 5.

Het wapenschild

91. Het wapenschild van de studentenverenigingen heeft de vorm van het heraldisch Vlaams schild, horizontaal aan het hoofd en afgerond aan de voet. Op een schild worden geen benamingen, al dan niet afgekort, aangebracht.

Ondanks deze regel staat toch vaak de clubnaam op het schild. Zelfs heel oude schilden (zoals bv. dat van de Kempische Gilde in Leuven) dragen vaak een clubnaam.

92. Het wapenschild van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond te Leuven is als volgt: Het veld is gekwartileerd, met een hartschild. Kwartier rechts boven: vier kwartieren met een hartschild, zijnde de wapenschilden van de vijf gouwgilden. Kwartier links boven: kleuren en monogram van het KVHV. De kleuren zijn: sabel-goud-azuur (Vlaanderen + universiteit). Het monogram bestaat uit de beginletters van de woorden Leve Groeie Bloeie Vlaams Verbond. Kwartier rechts beneden: monogram van Maria, Sedes Sapientiae, schutsvrouw van de KU Leuven. Kwartier links beneden: Vlaamse Leeuw. Hartschild: wapenschild van de stad Leuven.

Het kwartier rechtsboven, met de provinciale schilden in een andere volgorde en een hartschild met tekst ‘SK’ of ‘MSK’, is ook het schild van het SK en het MSK Leuven. De provinciale schilden en het schild van de stad Leuven zijn de oude schilden van voor de jaren ’90. Het links en rechts van de velden slaat op heraldisch links en rechts. Als je dus voor het schild staat, is het net omgekeerd.

93. Het wapenschild van de gouwgilde is dat van de overeenkomstige provincie.

Zelfde opmerking: de provincieschilden van voor de jaren ’90.

94. Het veld van het wapenschild van de club is dubbel geschuind (d.w.z. schuins verdeeld in drie kleurstroken van de rechthoek boven naar de linkerhoek beneden). Het draagt het monogram van de club, uitgevoerd in het goud, zilver of zwart. Het veld kan ook gedeeld zijn (d.w.z. midden door, van boven naar beneden). In de linkerhelft van het veld heeft men dan de drie kleurstroken met het monogram, in de rechterhelft een ander wapen van de club. Aan het hoofd van het schild kan ook een faas (horizontale band) zijn, met een leuze (geen benaming!) of de kleuren zwart-geel-lichtblauw. De kleuren van de club – twee of drie – moeten steeds over drie banen of kleurstroken verdeeld zijn, zowel op het clublint en het clubpetje als op het schild en het praeseslint.

Men kan duidelijk zien dat deze regels oorspronkelijk van de regionale clubs van Leuven komen. De kleuren in de faas slaan op de kleuren van het KVHV, het SK en het MSK (en ook het oude Faculteitenkonvent) in Leuven. In andere steden kunnen ze vervangen worden door de kleuren van het plaatselijk overkoepelend orgaan (bv. GSK doet dit met zwart-geel-wit). Een leuze treft men bijna nooit aan (bij Castrum wel), vaak wel de naam van de club.
Het links en rechts van de velden slaat op heraldisch links en rechts. Als je dus voor het schild staat, is het net omgekeerd.
Het hebben van drie kleurstroken is geldig voor clubs. In Leuven hebben de gouwgilden twee kleurstroken, het KVHV, SK en MSK dan weer drie. Faculteitskringen hadden oorspronkelijk twee kleurstroken, maar er zijn er nu ook een aantal met drie. De Leuvense en Diepenbeekse clubs zijn de enige waar drie kleurstroken effectief de regel is.
Soms is het veld van het schild zelfs viergedeeld, vaak bij corpsen of andere verenigingen die uit verschillende onderdelen bestaan, zoals bv. het KSC te Brussel.

95. Het monogram bestaat uit de letters V C F, beginletters van Vivat, Crescat, Floreat, dooreengevlochten met de beginletters van de benaming van de club en gevolgd door een uitroepteken.

In principe moet het monogram in één vloeiende beweging gemaakt kunnen worden, dit in tegenstelling met de monogrammen van de Franstalige clubs. Enkel het KVHV Leuven voert een Nederlandstalig monogram (L G B V V, Leve Groeie Bloeie Vlaamsch Verbond).

96. Het wapenschild, dat 70 cm hoog en 50 cm breed is, wordt aan de muur van de clubzaal achter de praesestafel opgehangen. Het mag uitgehangen worden aan de gevel en in de gelagzaal van het clublokaal en afgebeeld worden op tafelvlagjes, bierkannen, glazen en ander clubgerief. Een verkleinde afbeelding van het wapenschild wordt op het drukwerk van de club aangebracht.

De Verbondspet

Voor Castrum wordt in het huisreglement het onderscheid gemaakt tussen clubpet en bierpet. Wat in de blauwe bladzijden verbondspet wordt genoemd, heet bij Castrum clubpet. Wat in de blauwe bladzijden clubpet wordt genoemd, heet bij Castrum bierpet.

Dit deel staat niet meer in de Clubcodex sinds 1994 (vanwege de fusie met de Gentse SK-codex). Omwille van de consistentie met de rest van de Clubcodex had het eigenlijk moeten blijven staan…

97. De pet van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond te Leuven is van wijnrode kleur, met een wit biesje en de drie randkleuren zwart-geel-hemelsblauw (van boven naar onder). Deze pet is eigendom van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond te Leuven (aldus wettelijk gedeponeerd) en mag slechts door leden van deze vereniging gedragen worden.

Vroeger was deze pet ruim in het straatbeeld te zien, vermits praktisch alle Nederlandstalige studenten in Leuven op de een of andere manier lid waren van het KVHV. Tegenwoordig moet je gedoopt zijn bij het KVHV om deze pet te mogen dragen. Ook de andere KVHV-afdelingen dragen deze petten, met hun eigen kleuren als randkleuren. Petten van hetzelfde model worden in een grijze kleur gedragen door de NSV, in het wit vroeger door de bestuursleden van de A1 in Antwerpen en het LOSO in Limburg en in het blauw midden jaren ’90 door bestuursleden van Ekonomika Leuven. Iets stijvere petten van ongeveer hetzelfde model worden gedragen door Gaudia (zwart), het mannenkoor Cantores Lovanienses (wit) en de Duits-georiënteerde verenigingen Corps Flaminea (blauw) en KAV Lovania (groen) in Leuven, door Caeruleus (blauw) in Diepenbeek, door Taxandria (blauw) en Gavergild (zwart) in Gent, door Mereta (blauw) in Sint-Katelijne-Waver en door de modelclub Castrum (rood) in Antwerpen. Ze hebben als voordeel dat ze op straat kunnen gedragen worden, in tegenstelling tot clubpetjes. Verder gebruiken Flaminea (wit) en KAV Lovania (groen) ook nog de Duitse stürmer. De club Bruxellas in Brussel draagt petten naar het model de oude Verbondsflat (1918-32), d.w.z. zonder klep en ruimer vallend. Indien ze niet gedragen wordt door KVHV’ers, wordt deze pet de studentenpet genoemd.

98. De Verbondspet moet gedragen worden op alle vergaderingen, feesten en betogingen, alsmede in stoeten en optochten

  1. ingericht door het KVHV of een van zijn afdelingen,
  2. ingericht door een door het KVHV erkende studentenvereniging (bv. de KVSR en de VVS),
  3. waaraan het KVHV deelneemt of zijn medewerking verleent.

Dit is duidelijk ook een oud artikel, want de KVSR is al lang vervangen door KVHV Nationaal. Met afdelingen worden Seniorenkonventen, gouwgildes, clubs en plaatselijk ook faculteitskringen (sinds 1967 niet meer in Leuven) bedoeld.

99. De Verbondspet wordt afgenomen om te groeten, alsook tijdens concerten en toneelvoorstellingen. Op gewone Verbondssamenkomsten en congressen wordt zij op het hoofd gehouden. Om plechtig te groeten, bv. tijdens de uitvoering van de Vlaamse Leeuw, het Verbondslied of het Io Vivat, houdt men de Verbondspet met de rechterhand links voor de borst. Verbondsleden die een erewacht houden, bv. op een academische zitting of bij een graf, houden de pet op het hoofd.

Bovendien worden Verbondspetten afgenomen wanneer men tempus verkrijgt of naar het toilet gaat. Het gebruik is dus totaal anders dan bij clubpetjes, die enkel tijdens het tempus worden afgenomen en die niet op straat of buiten de clubactiviteiten niet gedragen worden (zie verder).

100. Het is wenselijk dat de Verbondspet ook buiten de vergaderingen gedragen wordt. Het Verbondslid zal daarbij steeds indachtig zijn dat het op elk ogenblik en op elke plaats het kenteken bij zich draagt van de katholieke Vlaamse studentenbeweging, en dat het voor de eer en de faam van die beweging instaat.

101. De schachten dragen steeds de Verbondspet aan de clubtafel. Zij nemen ze af wanneer zij zich tot de schachtenmeester of de corona richten en wanneer zij door een ouderejaars toegedronken worden.

Dit artikel stamt uit de tijd dat alle SK-leden in Leuven nog lid waren van het KVHV en is sinds eind jaren ’60 niet meer in gebruik. Enkel de Fanfare droeg tot einde jaren ’80 nog Verbondspetten.

Het praeseslint

102. Het praeseslint bestaat voor het Verbond, het SK, het FK en de clubs uit drie kleurstroken, voor de gouwgilden uit twee kleurstroken; het is 2,10 m lang bij een breedte van 12 cm voor drie kleurstroken en van 10 cm voor twee kleurstroken; het wordt bijeengehouden met een gouden of zilveren snoer en heeft aan de uiteinden gouden of zilveren franjes. Op het praeseslint kan ad libitum het wapenschild geborduurd worden. Het schild is 10,5 cm bij 9 cm en wordt aangebracht op 23 cm afstand van de schoudernaad, in de richting van de banen.

Tot de jaren ’50 bestond het praeseslint uit een horizontale band die over de borst gedragen werd en ongeveer 70 cm lang was en vastgespeld werd. In de codices vanaf 1994 is het stuk over de gouwgilden geschrapt. Dit heeft als gevolg dat er buiten Leuven ook verenigingen zijn met twee banen die een praeseslint van 12 cm breed hebben…
Tegenwoordig bestaan er ook praesidiumlinten. In Antwerpen en bij de Limburgse en de Leuvense faculteitskringen zien die er meestal hetzelfde uit als een praeseslint. Alle linten, ook dat van de praeses, dragen de naam van de praesidiumfunctie. Bij de Leuvense, Diepenbeekse en een aantal Brusselse clubs draagt enkel de praeses een ‘breed’ lint. In Mechelen, Brussel, Oost- en West-Vlaanderen heeft de praeses een praeseslint, maar bestaan er ook iets smallere praesidiumlinten. Deze praesidiumlinten dragen vaak niet het schild van de vereninging, maar een monogram. Ook hebben deze linten daar meestal geen snoer of franjes. Praesidiumlinten zijn meestal ingevoerd doordat deze personen gratis binnen mochten op activiteiten van andere verenigingen. In Brussel bestaan er zelfs praesidiumlinten (o.a. van de faculteitskringen van de HUB) waar de voornaam van de drager opstaat! Laat het echter duidelijk zijn dat de Clubcodex niet zozeer voor faculteitskringen is geschreven, maar dat clubs in feiten geen praesidiumlinten zouden mogen hebben. Ook bij de gildes, het SK, het MSK en het Leuvense en Brusselse KVHV worden er geen praesidiumlinten gedragen.

103. Het praeseslint wordt boven de jas over de rechterschouder gedragen, met het schild op de borst.

Met de jas wordt hier een kostuumvest bedoeld, geen anorak. Meestal wordt het echter onder de jas gedragen, ook op galabals, behalve door de senior van de organiserende club.

104. Voor de gelegenheid waarbij het praeseslint gedragen wordt, gelden dezelfde voorschriften als voor het clublint (§ 111). Buiten de vergaderingen draagt de praeses evenwel het gewone clublint.

Nu komt het praktisch altijd voor dat de praeses op alle activiteiten zijn praeseslint draagt.

105. De oud-studenten die praeses geweest zijn van Verbond, SK, FK, gouwgilde of club, hebben het recht op de vergaderingen van deze verenigingen een kopie van het praeseslint met het jaartal (academiejaar) van hun voorzitterschap te dragen. Het jaartal bestaat uit zes cijfers (bv. 1958-59) en wordt in het goud of het zilver geborduurd op een strookje in de hoofdkleur van de vereniging, dat op 21 cm afstand van de schoudernaad of op 1 cm afstand van de bovenzijde van het schild wordt genaaid. De erepraeses draagt een kopie van het praeseslint (eventueel met jaartal) met een gouden of zilveren schouderpassant.

In feite draagt de regerende senior een ‘doorgeeflint’, dat van senior naar senior overgaat en waar geen jaartallen op staan. Prosenioren bij Castrum dragen een kopie van het praeseslint met het jaartal.

Het clublint

106. Het clublint bestaat uit drie kleurstroken (zelfs wanneer de club slechts twee kleuren heeft). Het is 1,20 m lang en 27 mm breed en is voorzien van een gesp, haken en ogen of een knop met de kleuren.

Zoals hierboven al gezegd, moeten clubs dus drie kleurstroken hebben. Linten kunnen tegenwoordig iets langer zijn, bv. 1,30 m, vermits dat de mensen sinds het begin van de 20e eeuw gemiddeld een stuk langer zijn. Meestal worden linten tegenwoordig samengeknoopt of voorzien van nietjes. Lintknoppen zie je enkel nog bij Plutonica, Fraternitas en de Duitsgeoriënteerde verenigingen en sommige leden van KVHV Leuven, KSC Brussel en Castrum.

107. Het clublint wordt boven of onder de jas gedragen, naargelang de praeses het bepaalt. De ouderejaars dragen het clublint over de rechterschouder, de schachten over de linkerschouder.

Naar mijn ervaring wordt het clublint tegenwoordig altijd onder de jas gedragen. De Clubcodex geeft zelf als opmerking: ‘Clublint en praeseslint worden op vergaderingen en feesten alsook in optochten liefst boven de jas gedragen, bij avondtoilet onder de rok. Buiten vergaderingen wordt enkel het clublint gedragen en zulks onder de jas. (Het is wel verstaan dat zowel het praeseslint als het clublint over hun ganse lengte uit drie kleurstroken bestaan en er geen zijde voor de rug is met lintjes, toespelden of elastiekjes!).’ Noteer dat vroeger studenten altijd in kostuum op stap gingen. Tegenwoordig is het artikel dus nog weinig relevant.

108. De schachtenmeester draagt, wanneer hij zijn functie uitoefent, twee clublinten: één over de rechter- en één over de linkerschouder. Daarbuiten draagt hij slechts het clublint over de rechterschouder.

Een schachtenmeester is enkel in functie als er schachten aanwezig zijn die onder zijn commando vallen. Het lint over de linkerschouder wordt boven dat op de rechterschouder gedragen.

109. Behalve het lint van de club waartoe hij behoort, mag een commilito of oud-student ook het lint dragen van elke club waarvan hij voorheen lid geweest is aan dezelfde of aan een andere universiteit.

Omdat bij Castrum veel commilitones een voorgeschiedenis hebben bij andere clubs wordt op Castrumactiviteiten enkel het Castrumlint gedragen.

110. De club mag een ereclublint schenken aan de erepraeses, een commilito honoris causa en, wegens uitzonderlijke verdiensten, een commilito of oud-student. Op een ereclublint worden twee gekruiste eikenbladeren, in goud of zilver, geborduurd.

Commilitones van de eigen vereniging kunnen dus niet tot commilito honoris causa benoemd worden, maar ze kunnen wel een ereclublint krijgen.

111. Het clublint moet gedragen worden op de gewone vergaderingen van Verbond, gouwgilde en club, alsmede op alle bijeenkomsten, betogingen, feesten, bals, enz. door voormelde verenigingen ingericht of waaraan ze deelnemen.

112. De leden van de Verbondsraad en van de Verbondswacht dragen, wanneer zij fungeren een lint (model clublint) met de kleuren van het KVHV (zwart-geel-lichtblauw). Elk lid van het KVHV heeft het recht een dergelijk lint samen met de Verbondspet te dragen.

Dit artikel is in de Clubcodex vanaf 1994 geschrapt, maar natuurlijk nog geldig voor Verbondsleden.

Het clubpetje

113. Het clubpetje bestaat uit de drie stroken van de clubkleuren als rand en de hoofdkleur als bodem. Op de bodem wordt het monogram van de club in goud of zilver geborduurd. Het clubpetje wordt op het achterhoofd gedragen.

114. Het clubpetje is een onderscheidingsteken dat door de ouderejaars en de ex-commilitones gedragen wordt aan de clubtafel, alsook op feestmalen, bals, tuinfeesten en soortgelijke vergaderingen, belegd door de club, de gouwgilde, het Verbond of een door het KVHV erkende studentenvereniging. Het clubpetje wordt niet op straat gedragen.

De Clubcodex spreekt hier zichzelf tegen en noemt oud-studenten ex-commilitones. Clubpetjes worden dus niet op straat gedragen (bv. tijdens een rolling), maar wel op een openluchtcantus.

115. Aan de clubtafel worden de clubpetjes nooit afgenomen. Wanneer een lid van de corona tempus verkrijgt en de clutafel verlaat, legt het zijn petje op zijn glas.

Dus clubpetjes worden ook niet afgenomen tijdens toedrinken, estafettes en plechtige liederen (zoals bv. het clublied of het Io Vivat). Het stelen van een petje van iemand die tempus verkregen heeft, is verwerpelijk!

116. Bij hun ontgroening krijgen de schachten het clubpetje uit handen van de praeses.

Bij Castrum niet van toepassing.

117. Een ex-praeses heeft het recht een clubpetje te dragen met in goud of zilver geborduurd eikenloof.

Het clubvaandel

118. Tenzij het zinnebeeldige figuren voorstelt, bestaat het clubvaandel uit drie banen in de kleuren van de club, met in het midden het monogram uitgevoerd in zilver of goud. Het meet 1,30 m op 1,50 m. Op de kop van de stok staat een Vlaams of gewestelijk symbool (leeuw, goedendag of mastentop, raap, bezem, mijnlamp, enz.).

119. Op de vergaderingen staat het clubvaandel rechtop achter de praesestafel. Bij hun doop en ontgroening leggen de schachten de eed af op het vaandel.

Gebruikelijker is dat de eed afgelegd wordt op het clubschild.

120. In optochten stapt de vaandeldrager vooraan tussen twee commilitones. Alle drie dragen de Verbondspet.

Clubpetjes worden niet op straat gedragen, vandaar.

Voorgeschreven kentekens

121. Op de Verbondspet, het clubpetje, het praeseslint en het clublint mogen, buiten de voorgeschreven onderscheidingstekenen geen kentekens worden aangebracht. Pet en lint mogen niet moedwillig bevuild worden. Het bestuur heeft het recht aan de leden, op straf van uitsluiting, het vervangen op te leggen van petten en linten die bevuild of niet volgens het model zijn.

Dit is dus een van de grote verschillen met de VUB-traditie, waar pet, lint en de volgens KVHV-traditie niet bestaande doopjas zo vuil mogelijk moeten zijn. De KVHV-traditie staat voor stijl.
Nochtans brengen zelfs de meeste leden van alle KVHV-afdelingen onderscheidingskentekenen aan op hun Verbondspet (dit naar Franstalig katholiek gebruik). Dit zijn meestal sterretjes die het aantal jaren student aangeven (gouden sterretjes voor geslaagde jaren, zilveren sterretjes voor bisjaren), faculteitskentekens en een zwaardje voor de leden van de Verbondswacht. Enkel de Duits-georiënteerde verenigingen doen dit niet (ook al omdat het in Duitsland geen gewoonte is).
Bij Castrum worden symbolen gebruikt voor de praesidiumfuncties, faculteitskentekens en sterren voor de actieve jaren in de club (zilver voor een schachtenjaar, goud voor een jaar als ontgroend lid).

122. De voorgeschreven Verbondspetten, praeseslinten, clubpetjes en clublinten worden uitsluitend door het KVHV resp. het Seniorenkonvent te Leuven bezorgd. Het Seniorenkonvent bewaart een model van Verbondspet, clubpetje, praeseslint, clublint en wapenschild.

Tegenwoordig bestelt elke club zelf zijn attributen bij de leverancier, die meestal een voorbeeld in huis heeft.

Kentekens voor oud-studenten

123. De leden van de Oud-Studentenbond van het KVHV die in Leuven een vergadering of het jaarlijks zomerfeest te Vlierbeek bijwonen, dragen de Verbondspet (het model uit hun studententijd) en een lint met de kleuren van het KVHV (zwart-geel-lichtblauw) en eventueel een ex-praeseslint. Aan de clubtafel, alsmede op feesten en bals ingericht door studentenverenigingen, zoals bv. de club, het KVHV en de VVS dragen oud-studenten clubpetje en clublint (eventueel ex-praeseslint).

Uit het eerste deel is duidelijk dat club- en praeseslinten wel degelijk gecombineerd kunnen worden. De Oud-Studentenbond van het KVHV, het KVOHV bestaat sinds 1960 niet meer en is vervangen door het Verbond van Vlaamse Academici (VVA). Met kan het artikel herinterpreteren voor oud-leden van het KVHV. Dit artikel is trouwens geschrapt in de Clubcodex vanaf 1994.


VERLOOP VAN DE CLUBAVOND

124. Voor de aanvang van de clubavond wordt in de clubzaal alles in gereedheid gebracht door de schachten onder leiding van de schachtenmeester of een daartoe aangesteld bestuurslid. De schachtenmeester waakt over de orde in de clubzaal tot bij het binnentreden van de praeses. Hij draagt er zorg voor dat de schachten hoed en mantel van vooraanstaande aanwezigen aannemen, weghangen en na afloop van de clubavond terugbezorgen.

125. De deelnemers van de clubavond moeten zich met clubpetje (schachten met Verbondspet) en clublint aan (plenis coloribus) in de clubzaal bevinden vóór de opening van de clubavond door de praeses. Bij het binnentreden van de praeses staan alle aanwezigen recht en heffen zij het Io Vivat aan.

En dus niet het Io Vivat, het Gaudeamus en het Clublied.

125. De erepraeses, een afgestudeerde ex-praeses, een commilito honoris causa en een eregast treden de clubzaal binnen samen met de praeses.

In principe moet dus iedereen op tijd zijn. Dit geldt ook voor bezoekende praesides. Het kan natuurlijk altijd zijn dat iemand met een gegronde reden te laat komt, maar die kan zich best op voorhand bij het bestuur verontschuldigen. Als deze laatkomer nu tot één van de categorieën behoort die normaal gezien met de praeses binnenkomen, kunnen zij mijns inziens wel een apart Io Vivat krijgen, en dit om reden van § 159 (Houding buiten de club), dat belangrijke figuren uit de studentenbeweging die een clublokaal binnenkomen, begroet mogen worden met het zingen van het Io Vivat. Het is echter aan de praeses om te beslissen voor wie dit effectief gebeurt.

126. De clubavond wordt door de praeses geopend met de woorden: Omnes ad sedes! Silentium! Tot inzet van deze heerlijke clubavond klinke het clublied!

127. Op het zingen van het clublied volgen de mededelingen van de praeses en de verschillende bestuursleden. Elk lid van de corona kan dan het woord vragen om een mededeling te doen.

128. Eventuele lezingen worden bij de aanvang van de clubavond gehouden.

Tegenwoordig worden op clubavonden geen lezingen meer gehouden. De algemeen vormende taak van clubs is nl. grotendeels verdwenen.

129. Op elke clubavond wordt het verslag van de vorige vergadering voorgelezen.

Bij Castrum gebeurt dit meestal op het einde van de cantus.

130. Samenzangen, speechen, alleenzangen en plechtigheden wisselen elkaar af naar het goeddunken van de praeses en worden telkens door colloquium gevolgd.

Het is niet heel duidelijk of elk liedje door een colloquium gevolgd moet worden. Dit kan trouwens een nefaste invloed op de ordehandhaving hebben.

131. Om bijval te betuigen wordt niet in de handen geklapt, doch met de kneukels van de vuist op de tafel geslagen.

Dit wordt een ‘studentikoos applaus’ genoemd.

132. Na de eerste helft van de clubavond verleent de praeses tempus commune (§ 49).

Tegenwoordig worden er bij de meeste clubs geen colloquia meer gehouden en dit wordt gecompenseerd door meermaals een tempus commune te verlenen. Tijdens het tempus commune zijn de regels van de Clubcodex wel opgeschort, maar dat betekent niet dat schachten ineens de praeses kunnen toedrinken ofzo…

133. Aan het slot van de clubavond kondigt de praeses aan: Tot besluit van deze heerlijke clubavond klinke de Oude-Rolderklacht! Na het einde van het lied sluit de praeses de clubavond af met de woorden: Club ex!.

Dit betekent dat de nationale liederen dus eigenlijk voor de Oude-Rolderklacht gezongen moeten worden. Enkel bij de zwanenzang wordt het het Ruiterslied nog erna gezongen (zie verder).

134. De praeses doet de vooraanstaande deelnemers – aan wie de schachten mantel en hoed reiken – uitgeleide, terwijl de aanwezigen het Io Vivat zingen. Dan pas worden de clubpetjes afgenomen. De leden van de corona verlaten dadelijk de clubzaal, met uitzondering van de schachtenmeester en de schachten die opdracht hebben het clubgerief weg te bergen.

VERLOOP VAN HET CLUBJAAR

135. Het clubjaar valt, evenals het Verbondsjaar, samen met het academiejaar.

136. De vergaderingen door de club belegd, worden onder de volgende rubrieken gerangschikt:

  1. Bestuursvergaderingen.
  2. Clubavonden (Bieravonden).
  3. Cantusavonden.
  4. Konventen.
  5. Feesten (feestmalen, bals, enz.).

Wat de meeste clubs tegenwoordig een ‘cantus’ noemen, zijn de eigenlijke clubavonden. Hou er rekening mee dat de clubs vroeger minder vaak samenkwamen (bv. eenmaal per maand). De huidige clubavond, waarbij een club in het clubcafé afspreekt en daar aan de toog drinkt, spelletjes doet, gaat rollen, bowlen, snookeren enz. bestond in die tijd nog niet. Dat is dus een nieuwe categorie die hieraan toegevoegd kan worden. Rollingen werden vroeger meestal na één van de andere types activiteiten georganiseerd.

137. Er zijn vier vaste clubavonden, bij volgende gelegenheden:

  1. De schachtendoop (eerste clubavond)
  2. De dies natalisviering, waarop al de leden van de club: commilitones, oud-studenten, commilitones honoris causa en ereleden, uitgenodigd worden.
  3. De ontgroening (voorlaatste clubavond)
  4. Het afscheid van de afgestudeerden (zwanenzang) en de installatie van de nieuwe praeses en de nieuwe schachtenmeester (laatste clubavond).

Bij een aantal clubs wordt de aanduiding van een nieuw bestuur uitgesteld tot het begin van het academiejaar. De schachtendoop is meestal ook niet op de eerste clubavond, maar later op het jaar, om de schachten de kans te geven te beslissen of ze bij de club willen komen. Ook komen schachten pas vaak later op het jaar bij de club.

138. Cantusavonden worden belegd om studentenliederen te leren zingen.

Bij Castrum worden liederen aangeleerd op schachtenconventen en op de cantus.

Dit is wat men tegenwoordig een cantusconvent of cantorenconvent noemt.

139. Konventen zijn vergaderingen waarop de leden van de club bijeengeroepen worden om stemmingen uit te brengen, mededelingen aan te horen of aan beraadslagingen deel te nemen, die de werken van de club aanbelangen en omwille van hun ernstig en gewichtig karakter niet thuis horen op de clubavonden. Men onderscheidt algemene konventen en schachtenkonventen. Konventen worden gehouden telkens het bestuur zulks nodig acht. Zij kunnen juist voor de clubavond plaats hebben.

140. Er zijn drie vaste konventen:

  1. Een schachtenkonvent, dat gehouden wordt bij de aanvang van het clubjaar, voor de eerste clubavond en waarop de schachtenmeester de hoofdzaken uit de Clubcodex en de geschiedenis van het KVHV en de club aan de schachten leert.
  2. Een schachtenkonvent, dat de ontgroeningsclubavond (voorlaatste clubavond) voorafgaat (§ 154).
  3. Een algemeen konvent, dat de laatste clubavond voorafgaat en waarop o.m. het bestuur voor het volgende jaar verkozen wordt.

Het is raadzaam ook een schachtenconvent voor de doopavond te organiseren.


II. RONDGEZANGEN EN BIERSPELEN

In de blauwe bladzijden staan ook enkele drinkliederen genoteerd. Deze zijn ook opgenomen in de Antwerpse codex en worden op deze pagina niet verder behandeld.


III. PLECHTIGHEDEN

De Antwerpse codex kent onderstaande plechtigheden ook, zij het soms in iets andere vorm. Voor de volledigheid van dit naslagwerk worden de varianten uit de blauwe bladzijden hieronder ook opgenomen.

SALAMANDER

De Salamander is een heildronk iemand of iets ter ere, en geen strafdronk of wedstrijd in sneldrinken. Het is het hoogste studentikoos eerbewijs dat een lid van de corona, of ook een afwezig persoon, aan de clubtafel te beurt kan vallen.

Wanneer de praeses een Salamander aankondigt, worden de glazen leeggedronken en opnieuw gevuld. Het Salamander-commando wordt gewoonlijk door de praeses gegeven, zo niet door een door de praeses aangeduid lid van de corona; het gaat als volgt:

Praeses:

Silentium! Klaar voor de salamander op het heil van N.N.! ( ter ere van … )
Ad exercitium sanctissimi salamandris, omnes commilitones, surgite!” (“levate pocula”, ingeval de corona reeds rechtstond).

Corona staat recht, heft het glas op en antwoordt:

“Surgimus!” (of “Levamus!”).

Praeses:

Brengt het glas op de hoogte:
Van de Nederlandse gedachte!
Van het Vlaams meisjesminnend hart!
Van … (ad libitum)

Van de neus: snuif de lekkere geuren!
Van de bovenste lip: een kus tot afscheidsgroet!
Van de onderste lip!
Waar is er brand?

Corona:

Hier!

Praeses:

Waar zijn de pompiers?

Corona:

Hier!

Praeses:

Zijn de spuiten klaar?

Corona:

Ja!

Praeses:

Spuit dan op het commando van drie.
Een, twee, drie!

De glazen worden ad fundum gedronken. Met de ledige glazen wordt op de tafel getrommeld tot de praeses zijn glas opheft; op zijn commando van Een, twee, drie! worden de glazen samen met één slag op tafel neergezet.

Dan zingt de corona:

Ja, dat voelen wij (bis)
Aan ons hartje, (bis)
Ja, dat voelen wij (bis)
Aan ons jeugdig hartje!
En ’t is van jaren lang bekend (bis)
Dat alles zwicht voor een student! (bis)

Praeses:

Salamander ex!

Het klinkt als een hoon, na deze heildronk, vulgaire straatliedjes te zingen van de slag “En edde gaai meubele … “.


SCHACHTENDOOP

Door de schachtendoop, die vooral een vermakelijk karakter heeft, worden de schachten als kandidaat-leden in de club opgenomen. Deze clubavond, die de eerste is van elk akadernisch jaar, wordt op de gewone wijze geopend; de schachten zijn echter bij deze opening niet aanwezig. Na een inleidende speech van de pracscs wordt elke schacht op zijn beurt in de weinig verlichte zaal binnengeleid tot voor de schachtentafel, en doorstaat hij een proef.

Achter de schachtentafel zetelt de doopkommissie, die bestaat uit de oudste leden der corona. Bij het einde van de proef wordt aan de schacht een peter (een oudere die liefst tot dezelfde fakulteit behoort) aangewezen.

De peters, die door het bestuur aan de schachten toegewezen werden, nemen hun schachten op de rug, en lopen ermee rond de clubtafel terwijl de ouderejaars aan de clubtafel zingen:

Wat komt er van de berg? (bis)
Wat komt er van de houten berg?
Sa, sa, houten berg,
Wat komt er van de berg?

De peters zetten hun schachten af achter de tafel van de schachtenmeester, en zingen:

Het is een postiljon, (bis)
Het is een houten postiljon,
Sa, sa, postiljon,
Het is een postiljon.

Ouderejaars aan de clubtafel:

Wat brengt de postiljon?

(In het derde vers wordt steeds “houten” ingelast).

Peters (elke peter blijft tot bij het einde van het lied achter zijn schacht staan):

Hij brengt een schachtje mee.

Schachten (telkens voorgezongen door de peters):

Uw dienaar, mijne heren.

Ouderejaars:

Wat doet de heer papa?

Schachten:

Hij leest de Kikero.

Ouderejaars:

Wat doet de vrouw mama?

Schachten:

Die vangt papa zijn vlooi.

Ouderejaars:

Wat doet uw mamzel soeur?

Schachten:

Zijn stopt, zij stopt, zij stopt

Het gat in hare kous
Het gat in hare houten kous.

Ouderejaars:

Wat doet de rector nu?

De schachtenmeester geeft de schachten enkele slagen en duwen.

Peters:

Hij slaat de schachten blauw.

Ouderejaars:

Mag onze schacht Jack-op?

Schachten:

Niet al te veel, mijnheer.

Ouderjaars:

Zo steek uw pijp eens aan.

Schachten:

Het wordt me nu zo naar, (bis)
Aai mij, het wordt me nu zo naar.

Ouderejaars:

Zo hoepel dan maar op, (bis)
Vooruit, zo hoepel dan maar op.

De peters nemen hun schachten weer op de rug, lopen nog eenmaal rond de clubtafel, en verlaten de clubzaal.

Ouderejaars:

Zo dopen we een schacht.

Dan wordt het licht uitgedraaid, en worden de kaarsen op de tafel van de schachtenmeester aangestoken. Benevens twee kaarsen bevinden zich op de tafel van de schachtenmeester volgende rekwisieten: een doodshoofd, een zoutvat, een lepeltje, en voor elke schacht: een clublint en een glas met bier gevuld.

De schachten worden één voor één, op verzoek van de schachtenmeester, door hun peter tot voor de tafel van de schachtenmeester gebracht. De schachtenmeester heeft aan de binnenzijde van de tafel plaats genomen.

Hij spreekt de schacht met luide stem toe:

Schacht, kniel! Leg uw linkerhand op de kop van Pee Dierckx, steek uw rechterhand omhoog, en zeg me na!

Hier volgt dan een koddige eedformule, in macaronisch Latijn. Deze formule kan verschillen van club tot club; gewoonlijk komen er toch volgende zinsneden in voor:

Ego schachtus kolossalus / super hoc caput/ calvidum et frigiclum / juro jurando zwero / omnes cursos brossare / multas virgines amare et kussare / nunquam aquam et limonadem

bibere / multos pintos et cigarros / anciennibus offerare / juro sub hoc symbolum / quod si non teneo sermentum / ontploffare et stinkendo crevare / volo jubeoque / sic juvet mihi Bacchus.

De schachtenmeester giet een lepeltje bier op het hoofd van de nog steeds geknielde schacht, en legt hem dan, met het lepeltje, zout op de tong. Hij beveelt hem vervolgens recht te staan en zijn glas ad fundum te drinken.

Dan zegt de schachtenmeester:

Ego, N.N., schachtorum major, te recipio in civitatem amicitiae et in locum fidelitatis, ut sis schachtus in oboedientia.

Hier wordt het licht weer aangedraaid, en begint het ernstig gedeelte van de plechtigheid. De corona staat recht. Bijgestaan door de peter hangt de schachtenmeester het clublint over de linkerschouder van de schacht en zegt:

In naam van het hoog praesidium schenk ik U de kleuren van Castrum; draag ze steeds met eer en fierheid, verdedig ze met woord en daad waar het moet.

Met de hand op het wapenschild of het vaandel van de club, zegt de schacht dan de schachtenmeester na:

Ik beloof op mijn woord van eer al mijn krachten in te spannen om een goede schacht te zijn van Castrum.

De schachtenmeester geeft de schacht de accolade, en de corona zingt het refrein of de eerste strofe van het clublied. De gedoopte schacht neemt aan de clubtafel plaats. Het licht wordt opnieuw uitgedraaid, en de volgende schacht wordt binnengeroepen.


INSTALLATIE VAN DE COMMILITONES HONORIS CAUSA

De personen die door de club tot commilitones honoris causa worden uitgeroepen(§ l l ), ontvangen de onderscheidingstekenen van hun titel op een clubavond, bij voorkeur op de jaarlijkse Dies Natalisviering.

Na een toespraak, gehouden door de praeses of een daartoe bevoegd lid van de corona, en waarin gewezen wordt op de verdiensten van de kandidaat, wordt deze laatste tot voor de praesestafel geroepen, en ontvangt hij uit de handen van de praeses een diploma, alsmede een clubpetje en een ereclublint.

De praeses geeft de accolade aan de commilito h.c.; de corona zingt het refrein of de eerste strofe van het clublied, en drinkt een Salamander, het nieuwe lid ter ere.


ONTGROENING

Door de ontgroening wordt de schacht of het kandidaat-lid in de club opgenomen als ouderejaars of werkelijk lid. De ontgroening weigeren aan een schacht staat gelijk met hem uit de club sluiten. De ontgroening kan ook tot in de loop van het volgend academisch jaar uitgesteld worden, als sanctie b.v. voor onvoldoende activiteit.

Hieruit blijkt reeds dat de ontgroening een feit van belang is in het leven van de club en haar leden, aan de plechtigheid zelf moet dan ook (in tegenstelling met de schachtendoop) een uitsluitend ernstig karakter geschonken worden. De ontgroening geschiedt best op de voorlaatste clubavond van het academisch jaar, zodoende kan de plechtigheid eventueel uitgesteld worden voor de kandidaten die nog niet aan de nodige vereisten hebben voldaan, en hebben deze laatsten nog een kans op de slotvergadering. Zodoende ook wordt enkel door ouderejaars deelgenomen aan de bestuursverkiezing, welke gehouden wordt op het algemeen konvent dat de laatste clubavond voorafgaat.

Schachten hebben inderdaad geen stemrecht. Op een bestuursvergadering horen de bestuursleden van de club eerst een verslag van de schachtenmeester en de peters over het gedrag der schachten binnen en buiten de club (opkomst naar en houding op de clubavonden). Daarna worden de schachten één voor één, vergezeld van hun peter, voor het bestuur opgeroepen. Zij worden ondervraagd over de geschiedenis van de club (die door de schachtenmeester werd aangeleerd op de schachtenkonventen in de loop van het academisch jaar); zij moeten het clublied en het Io Vivat (str. 1 en 3) van buiten kunnen zingen en het monogram van de club kunnen tekenen; de toestand van hun clublint en hun liederboek zal worden onderzocht: waar het blijkt dat deze benodigdheden moedwillig bevuild werden, zullen de schachten deze moeten vernieuwen alvorens tot de ontgroening te worden toegelaten. Tot daar wat het examen of onderzoek betreft dat de plechtigheid voorafgaat, en buiten de clubavond plaats heeft.

Op de ontgroeningsplechtigheid zelf worden de oud-studenten speciaal uitgenodigd. Na het zingen van het clublied door de corona, richt de schachtenmeester het woord tot de rechtstaande schachten, om hen te wijzen op de betekenis van de ontgroening. Dan stellen de schachten zich op achter de tafel van de schachtenmeester, en worden ze één voor één door hun peters tussen de dubbele rij van de commilitones geleid tot voor de praesestafel. De gehele corona staat recht. Met de rechterhand omhoog en de linkerhand op het vaandel of het schild van de club, zegt de schacht de eedformule na, die door de praeses wordt voorgezegd:

Ik beloof Castrum steeds trouw te zijn / aan haar beginselen onverbreekbaar vast te houden / vreugde en leed met haar te delen / haar eer en haar belangen te verdedigen / en voor alle commilitones een trouwe vriend en ware broeder te zijn.

Daarop verklaart de praeses:

Ego, N.N., senior, ex autoriate et dignitate, te N.N., commilitonem nomino, nominatum declaro, declaratum proclamo!

De ontgroende schacht overhandigt vervolgens zijn clublint aan zijn peter; de praeses hangt dan, bijgestaan door de peter, het clublint over de rechterschouder van de ontgroende schacht, zet hem het clubpetje op het hoofd, en geeft hem de accolade. Terwijl de ontgroende schacht zijn plaats gaat innemen als laatste in de rij der ouderejaars, zingt de corona het refrein of de eerste strofe van het clublied. Wanneer al de schachten ontgroend zijn, verlaat de schachtenmeester zijn plaats en overhandigt het clublint dat hij over de linkerschouder draagt aan de praeses. Hij neemt dan plaats aan de linkerzijde van de praeses. Dan hoort de corona (gezeten) nog een korte toespraak van de praeses tot de nieuwe ouderejaars, en het antwoord van een woordvoerder van deze laatsten. Een Salamander ter ere van de nieuwe ouderejaars besluit de plechtigheid.


INSTALLATIE VAN PRAESES EN SCHACHTENMEESTER

Praeses

De praeses treedt af en installeert zijn opvolger op de laatste clubavond van het academisch jaar. Nadat de praeses de corona heeft toegesproken, roept hij zijn opvolger tot voor de praesestafel, en zegt hem een eedformule voor, waarbij de nieuwe praeses getrouwheid zweert aan de statuten of het door de club nagestreefd ideaal, bij voorbeeld als volgt:

Praeses:

Zweert ge onverbreekbaar trouw te zijn aan de beginselen waarop Castrum gegrondvest is, en aldus de traditie voort te zetten van N.N., de stichter van onze club, en van N.N., (namen van al de opeenvolgende prosenioren)?

Opvolger: Ik zweer.

Daarop neemt de praeses het praeseslint van zijn schouder, hangt het over de rechterschouder van zijn opvolger en zegt:

Ego, N.N., senior, abdico, et te N.N., ex autoritate et dignitate, seniorem nomino, nominatum declaro, declaratum proclamo!

De afgetreden praeses geeft zijn opvolger de accolade en staat hem zijn plaats af.

Hierop wordt het clublied gezongen.

Nadat de nieuwe praeses hulde heeft gebracht aan zijn voorganger, wordt ter ere van deze laatste een Salamander gedronken.

Ingeval de praeses herkozen werd, legt hij zijn praeseslint op de tafel; het wordt hem opnieuw omgehangen door de jongste van de op de vorige clubavond ontgroende schachten.

Wanneer de installatie niet kan geschieden door de afgetreden praeses, wordt de plechtigheid voorgezeten door de erepraeses, de oudste der aanwezige pro-senioren, of een bestuurslid.

Schachtenmeester

De schachtenmeester treedt af wanneer al de schachten ontgroend zijn; hij verlaat (eventueel na het houden van een korte toespraak) zijn plaats, en overhandigt het clublint dat hij over de linkerschouder draagt aan de praeses.

De nieuwverkozen schachtenmeester ontvangt zijn tweede clublint uit de handen van de nieuwe praeses op de laatste clubavond van het jaar; hij neemt evenwel geen plaats aan de schachtenmeesterstafel, daar er geen schachten meer zijn.


AFSCHEID VAN DE LAATSTEJAARS

De commilitones die afgestudeerd zijn nemen als student, niet als clublid, afscheid op de laatste clubavond van het jaar (na de installatie van de nieuwe praeses). De praeses houdt een toespraak tot de laatstejaars, die daarna, ieder om de beurt hun zwanenzang zingen.

Het vaarwel der afgestudeerden of Zwanezang

Daar waren eens zeven kikkertjes,
Al in een groene sloot.
Toen kwam er een boer op kompen aan,
En die trapte ze allemaal dood …

Daar waren eens drie studentjes,

Drie vrienden in lust en in nood,

Ze sprongen zo moedig de wereld in,

En de wereld trapte ze dood …

(Piet Paaltjens).

Deze speechen worden afgewisseld door het zingen van de volgende liederen:

Ergo bibamus, Suid-Afrikaans Studentenlied. Tsjechisch Drinklied, Oude-Roldersklacht

Ten slotte zingen de laatstejaars samen het Ruiterslied, bij kaarslicht. Vooraf worden hun glazen gevuld; zij drinken ze leeg in drie slokken.

RUITERSLIED
Emiel Vereecken, stud. jur. ± 1907. Naar het Duits
Herwegh, Tubinger Burschcnschaft 1835
Muz. J. Lyra, Bonner Burschenschaft 1843.

De bange nacht is weeral om,

Wij rijden stil, wij rijden stom,

Wij rijden ten verderve.

Hoe koud waait toch de morgenwind!

Waardin, nu nog een glas gezwind,

Voor ’t sterven (bis).

 

Hoe staat het jonge gras nu groen,

Maar bloeien zal het morgen doen,

Mijn eigen bloed zal ’t verven.

De eerste slok, met ’t zwaard in d’hand,

Gedronken voor het vaderland,

Voor ’t sterven (bis).

Hier wordt de eerste slok gedronken

De tweede slok van d’edele wijn,

Zal voor de heilige vrijheid zijn,

Voor vrijheid, land en erve;

Hier wordt de tweede slok gedronken.

De rest zij nog een huldeblijk,

De laatst’ voor ’t oud Romeinse rijk

Voor ’t sterven (bis).

Hier wordt het glas geledigd.

Voor ’t liefken, maar mijn glas is uit,

De spere blinkt, de kogel fluit,

Draag aan, mijn kind, de scherven!

Hier wordt het glas op de grond aan stukken geworpen.

Vooruit nu naar de laatste slag,

O ruiterlust, in vroege dag

Te sterven!


APPENDIX

CLUBNAAM

In sommige clubs is het aan de commilitones verboden elkander aan de clubtafel met hun familienaam of zelfs hun voornaam aan te spreken. Elk lid heeft daar een clubnaam; zulks betekent dat de student aan de clubtafel al de gewoonten uit het dagelijks leven moet afleggen en zelfs zijn burgerlijke naam vergeet. Elke schacht kiest zelf zijn clubnaam voor hij gedoopt wordt, deze naam moet evenwel door het bestuur worden aanvaard.

GESCHENKEN EN VOORWERPEN MET DE KLEUREN

Een club die een verdienstelijk praeses bij zijn aftreden wil huldigen, kan hem een ex-praeseslint (§ 96) en/of een ex-praesespetje (§ 106) schenken. Schachten en peters kunnen elkander een horlogehanger (Bierzipfel) met de kleuren van de club en een gegraveerde opdracht schenken. Tafelvlagjes met kleuren en monogram kunnen in het stamlokaal

geplaatst worden en (met een opdracht op de keerzijde) geschonken worden aan verdienstelijke leden of aan andere kleurdragende verenigingen. Het schild of de kleuren kunnen afgebeeld worden op bierpotten, asbakjes, papierleggers, briefopeners, ringen,

manchetknopen, dasspelden en kleine kentekens om op de kraag te dragen. Het clublint wordt bij voorkeur vastgemaakt met een knop met emaillekleuren.

De kleuren zijn het kenteken van de academische gemeenschap waartoe men behoort en het uiterlijk teken van een innerlijke houding.

Daarom mogen de kentekens van een kleurdragende studentenvereniging (Verbondspet, clubpetje, lint, horlogehanger met de kleuren) enkel gedragen worden door studenten en oud-studenten die als lid van de vereniging erkend zijn, en in geen geval gedragen worden door niet-studenten.

HOUDING BUITEN DE CLUB

Ook buiten de vergaderingen nemen de clubleden bepaalde vormen in acht. Zo zullen b.v. in een drankgelegenheid studenten plaats maken of stoelen bijhalen voor oud-studenten die zich bij het gezelschap voegen; op dezelfde wijze handelen schachten tegenover ouderejaars.

Wanneer een student in een openbaar lokaal een oud-student herkent, gaat hij naar hem toe en stelt zich voor. Oud-studenten worden aangesproken met hun academische titel (doctor, meester), hun eretitel of vroegere titel in de studentebeweging (erepraeses, praeses) of als commilito, nooit met het burgerlijke Meneer. Tegenover leden van andere Vlaamse studentenverenigingen wordt steeds een hoffelijke en sympathieke houding aangenomen; uit eerbied voor het gemeenschappelijk streven. Leidende figuren uit de studenten- en oud-studentenbeweging die een vergaderzaal of openbaar lokaal binnentreden, worden begroet door het zingen van het Io vivat.

Onder leden van éénzelfde club, ook tegenover oud-studenten, wordt geen gebruik gemaakt van de beleefdheidsvorm U. Men zegt gij, jij. Als aanspraaktitel in een brief gebruikt men: Waarde (Erepraeses, expraeses, oud-student, commilito) en als slotvorrn: Met trouwe clubgroeten.